ECLI:NL:CRVB:2003:AO3540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking en premieplicht bij bestuurderspositie
In deze zaak staat centraal of betrokkene als directeur en aandeelhouder van een vennootschap een privaatrechtelijke dienstbetrekking had en of over de aan haar gedane betalingen premies verschuldigd zijn. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelt dat sprake is van een dienstbetrekking en dat premies verschuldigd zijn sinds 1 september 1996.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat betrokkene als zelfstandige moest worden beschouwd vanwege de aandeelhoudersovereenkomst en de aard van de verhouding, waardoor geen verzekeringsplicht bestond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat betrokkene geen invloed had op besluiten in de algemene vergadering, wat duidt op een gezagsverhouding.
De Raad concludeert dat betrokkene tot 8 januari 1998 feitelijk onder gezag van het bestuur werkte en dus premieplicht bestond. Vanaf 8 januari 1998 werd zij bestuurder van de vennootschap en viel zij niet langer onder gezag, waardoor geen sprake is van een dienstbetrekking. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor de periode tot 8 januari 1998 en bevestigt het voor het overige. Appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Premieplicht bestaat tot 8 januari 1998 toen betrokkene onder gezag werkte; daarna niet meer als bestuurder.