ECLI:NL:CRVB:2003:AO5266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant trad op 8 juni 1998 in dienst en meldde zich kort daarna ziek met klachten gerelateerd aan het drinken van schoonmaakmiddelen en fysieke klachten. Gedaagde, het UWV, weigerde op 6 oktober 1999 een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant bij aanvang van zijn verzekering reeds volledig arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank Rotterdam.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet volledig arbeidsongeschikt was bij aanvang van zijn verzekering, onder meer omdat hij nooit door zijn werkgever zou zijn aangenomen indien dat het geval was geweest. De Raad oordeelde dat dit argument niet opgaat omdat artikel 30, lid 1, onder a van de WAO juist bedoeld is om situaties waarin een werknemer reeds arbeidsongeschikt is bij aanvang van de verzekering uit te sluiten van uitkeringsrecht.
De Raad baseerde zich op een medisch rapport van een verzekeringsarts die concludeerde dat appellant sinds 1992 chronisch psychotisch en volledig arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant dat hij binnen een half jaar na aanvang van de verzekering niet had kunnen verwachten arbeidsongeschikt te worden, werd verworpen. De Raad vond het beleid van gedaagde om in dergelijke gevallen de uitkering te weigeren niet onredelijk en zag geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.