ECLI:NL:CRVB:2003:BD9796

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2003
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00/4851 NABW-E
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en proceskostenveroordeling gemeente ’s-Hertogenbosch

De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. De Raad heeft bij eerdere uitspraak het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is gegrond verklaard, maar de Raad handhaaft het oordeel over de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

De Raad overweegt dat de kosten die de gedaagde heeft moeten maken voor rechtsbijstand in hoger beroep redelijk zijn in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op € 483,--.

De Centrale Raad van Beroep besluit het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, de gemeente ’s-Hertogenbosch te veroordelen tot betaling van proceskosten aan de gedaagde van € 483,-- en tevens griffierecht van € 348,-- te heffen. De uitspraak is gedaan door mr. A.B.J. van der Ham, in aanwezigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003.

Uitkomst: Het hoger beroep van de gemeente ’s-Hertogenbosch wordt niet-ontvankelijk verklaard en de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

00/4851 NABW-E
E N K E L V O U D I G E K A M E R
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, appellant,
en
[gedaagde], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 22 april 2003 heeft de Raad met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Awb het door geopposeerde ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juli 2000, reg. nrs. 99/5356 NABW en 99/5357 NABW, niet-ontvankelijk verklaard.
Het tegen deze uitspraak gedane verzet is gegrond verklaard bij uitspraak van 8 juli 2003.
II. MOTIVERING
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan vermeld in zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 22 april 2003. Verwezen wordt hier naar de overwegingen van de Raad in die uitspraak. Dit betekent dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
De kosten die gedaagde heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep zijn aan te merken als redelijkerwijs gemaakte kosten in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage worden die kosten begroot op € 483,-- ( 1 punt voor het verweerschrift en ½ punt voor het verzetschrift).
Met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb wordt thans als volgt beslist:
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot € 483,--, te betalen door de gemeente ’s-Hertogenbosch;
Bepaalt dat van de gemeente ’s-Hertogenbosch een griffierecht wordt geheven van € 348,--.
Aldus gegeven door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003.
(get.) A.B.J. van der Ham
(get.) P.C. de Wit
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
JK/873