ECLI:NL:CRVB:2003:BD9796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en proceskostenveroordeling gemeente ’s-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. De Raad heeft bij eerdere uitspraak het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is gegrond verklaard, maar de Raad handhaaft het oordeel over de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
De Raad overweegt dat de kosten die de gedaagde heeft moeten maken voor rechtsbijstand in hoger beroep redelijk zijn in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op € 483,--.
De Centrale Raad van Beroep besluit het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, de gemeente ’s-Hertogenbosch te veroordelen tot betaling van proceskosten aan de gedaagde van € 483,-- en tevens griffierecht van € 348,-- te heffen. De uitspraak is gedaan door mr. A.B.J. van der Ham, in aanwezigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003.
Uitkomst: Het hoger beroep van de gemeente ’s-Hertogenbosch wordt niet-ontvankelijk verklaard en de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.