ECLI:NL:CRVB:2004:AO2046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- T. Hoogenboom
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde uitkering op grond van Uitkeringsregeling 1966
Appellante ontving vanaf 1 januari 1996 een uitkering wegens werkloosheid op grond van de Uitkeringsregeling 1966. Zij is echter vanaf half januari 1996 gaan werken via een uitzendbureau en heeft op haar maandelijkse informatieformulieren lagere inkomsten opgegeven dan daadwerkelijk verdiend. In oktober 1997 ontving de Minister een opgave waaruit bleek dat appellante een hoger uurloon had ontvangen dan gemeld.
Op basis hiervan heeft de Minister bij besluit van 9 maart 1998 de uitkering herzien en een bedrag van f 4.159,10 teruggevorderd over de periode januari tot en met juni 1996 en augustus tot en met december 1996. De bezwaren van appellante tegen deze terugvordering zijn bij beslissing op bezwaar van 15 juni 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep van appellante tegen dit besluit deels gegrond verklaard en de terugvordering verminderd tot f 3.836,29 (€ 1.740,83). Appellante stelde in hoger beroep dat de terugvordering onredelijk was omdat de Minister vijf maanden na het bekend worden van de hogere inkomsten pas tot terugvordering overging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de termijn van vijf maanden redelijk is en dat de rechtszekerheid niet wordt geschonden. Appellante heeft onjuiste informatie verstrekt, waardoor de terugvordering gerechtvaardigd is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro wordt niet aangewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering op het door de rechtbank vastgestelde bedrag.