AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling redelijkheid van late indiening bezwaar tegen niet tijdig besluit
In deze zaak stond centraal de vraag of het bezwaar van gedaagde tegen het niet tijdig nemen van een besluit onredelijk laat was ingediend. Gedaagde had op 11 april 2001 een verzoek ingediend om een zonder rechtsgrond ingehouden deel van zijn uitkering alsnog uit te betalen. Na telefonisch contact met het uitvoeringsorgaan in mei en augustus 2001, waarbij hem werd meegedeeld dat zijn verzoek nog in behandeling was, diende hij op 17 mei 2002 een bezwaarschrift in.
Appellant, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank Middelburg vernietigde dit besluit en oordeelde dat het bezwaar niet onredelijk laat was, omdat appellant in verzuim was en gedaagde op 28 augustus 2001 nog informatie had ontvangen dat het verzoek in behandeling was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat niet alleen de datum van het oorspronkelijke verzoek bepalend is, maar ook de communicatie van het bestuursorgaan over de afhandeling. Gelet op de verstrekte telefonische informatie kon het bezwaar niet als onredelijk laat worden aangemerkt. Tevens werd appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan gedaagde.
Uitkomst: Het bezwaar is niet onredelijk laat ingediend en het bestreden besluit wordt vernietigd.
Uitspraak
03/1981 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 april 2003, nr. Awb 02/442, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 januari 2004, waar appellant, ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen, zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Op 1 maart 2001 heeft deze Raad uitspraak gedaan in een tussen partijen bestaand geschil over de omvang van gedaagdes uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel. De Raad heeft als zijn oordeel uitgesproken dat de nieuwe vaststelling door appellant van de omvang van gedaagdes uitkering per 1 januari 1996 in rechte stand houdt. In die uitspraak is voorts overwogen dat het daar aan de orde zijnde bestreden besluit van 1 augustus 1997 zich niet uitstrekte over de terugvordering van de uitkering, zodat de rechtbank zich terecht niet over die terugvordering had uitgelaten.
1.2. Naar aanleiding van die uitspraak heeft gedaagde zich bij brief van 11 april 2001, bij appellant binnengekomen op 12 april 2001, tot appellant gewend met het verzoek om het volgens hem destijds zonder rechtsgrond ingehouden deel van de uitkering alsnog uit te betalen. Gedaagde heeft op 28 mei 2001 en op 28 augustus 2001 telefonisch contact opgenomen met het betrokken uitvoeringsorgaan over de afhandeling van zijn verzoek.
1.3. Bij brief van 17 mei 2002 heeft gedaagde appellant schriftelijk verzocht binnen drie weken te reageren op zijn verzoek van 11 april 2001 en, voorzover noodzakelijk, die brief van 17 mei als een bezwaarschrift te zien. Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het onredelijk laat was ingediend.
2. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt en aan gedaagde het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde in het telefonische contact van eind augustus 2001 geen antwoord op zijn vraag had gekregen, dat appellant drie maanden nadien nog steeds geen antwoord had gegeven, zodat vanaf dat moment aangenomen kon worden dat appellant in verzuim was om tijdig een besluit te nemen, en dat, daarvan uitgaande, het bezwaar op 17 mei 2002 niet onredelijk laat was ingediend.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat voor de beantwoording van de vraag of het bezwaar onredelijk laat is ingediend als uitgangspunt moet worden genomen de datum waarop het verzoek bij hem is binnengekomen. Uitgaande van die datum is het bezwaar volgens appellant onredelijk laat ingediend.
3.2. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij al op 28 mei 2001 telefonisch met het uitvoerings-orgaan in contact is geweest over de afhandeling van zijn verzoek. Hem werd meegedeeld dat zijn verzoek ter behandeling op unit 4 lag. Uit het telefonische contact van
28 augustus 2001 heeft hij opgemaakt dat de afhandeling van zijn verzoek nog wel enige tijd op zich zou laten wachten. Toen er geen reactie kwam heeft hij bezwaar gemaakt, wat volgens hem niet als onredelijk laat is te beschouwen.
4. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
4.1. Artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, voorzover hier van belang, dat een bezwaar dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn is gebonden. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel wordt het bezwaar echter niet-ontvankelijk verklaard, indien het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.
4.2. Naar het oordeel van de Raad is voor het antwoord op de vraag of een bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend niet zonder meer doorslaggevend wanneer het oorspronkelijke verzoek is ingediend, maar dienen ook de nadien door het bestuursorgaan gedane mededelingen over de wijze van afhandeling in beschouwing te worden genomen. De rechtbank heeft in dit verband terecht aandacht besteed aan de op 28 augustus 2001 aan gedaagde verstrekte telefonische informatie. Die informatie hield in, zo is ter zitting van de Raad komen vast te staan, dat er nog een beslissing op gedaagdes verzoek zou volgen, maar dat het verzoek van gedaagde op een andere unit lag en dat het daar druk was.
4.3. Gelet op de aan hem verstrekte informatie kan, nu gedaagde op 17 mei 2002 zijn bezwaarschrift heeft ingediend, niet gesproken worden van een onredelijk laat ingediend bezwaarschrift, zodat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 400,- wegens verletkosten en € 32,06 wegens reiskosten, derhalve in totaal € 432,06.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 432,06, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 409,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2004.