ECLI:NL:CRVB:2004:AO5033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bijstand wegens belastingteruggave na aanvang bijstand
Appellant ontving vanaf 18 augustus 1999 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Later informeerde hij de gemeente over een belastingteruggave van f 16.188,-- die hij op 3 februari 2001 ontving, betrekking hebbend op de jaren 1996-1998. De gemeente besloot daarop op grond van artikel 82 Abw Pro de bijstand terug te vorderen over de periode van 18 augustus 1999 tot 12 januari 2000, stellende dat deze teruggave als vermogen moest worden gezien dat bij aanvang van de bijstand aanwezig was.
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het niet tijdig beslissen, maar ongegrond voor het besluit zelf. De Centrale Raad vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank, omdat volgens artikel 51 Abw Pro alleen het feitelijke vermogen bij aanvang van de bijstand relevant is, en de belastingteruggave pas na die aanvang is ontvangen.
De Raad oordeelt dat de belastingteruggave geen vermogen was dat bij aanvang van de bijstand aanwezig was en dat daarom geen grond bestaat voor terugvordering. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand op grond van een belastingteruggave na aanvang van de bijstand wordt vernietigd.