ECLI:NL:CRVB:2004:AO5384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant heeft bijstand aangevraagd over de periode van 6 september 1994 tot en met 1 maart 1995, maar deze aanvraag werd op 3 december 1999 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard omdat niet was gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht konden rechtvaardigen.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bezwaar ongegrond verklaard met verwijzing naar vaste jurisprudentie op grond van artikel 22 van Pro de Algemene Bijstandswet (ABW). Volgens deze jurisprudentie kan bijstand in het algemeen niet worden verleend over een periode voorafgaand aan de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de betrokkene redelijkerwijs niet in verzuim kan worden gesteld.
De Raad onderschrijft deze overwegingen en stelt vast dat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Ook eerdere uitspraken waarin appellant recht had op bijstand vanaf 2 maart 1995, betreffen een andere aanvraag en zijn niet van invloed op de onderhavige periode. De Raad ziet dan ook geen reden om de afwijzing te vernietigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.