ECLI:NL:CRVB:2004:AO5498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R.C. Stam
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Vernietiging correctienota 1992 wegens verjaring en matiging boetenota's sociale verzekeringen
Appellante 1 en appellante 2 zijn in hoger beroep gekomen tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) betreffende correctienota's en boetenota's wegens bovenmatige reiskostenvergoedingen over diverse jaren. De rechtbank had de beroepen ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders over enkele aspecten.
De Raad stelt vast dat de correctienota over 1992 aan appellante 1 niet tijdig is opgelegd binnen de vijfjaarstermijn zoals vereist in artikel 13 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), omdat de nota aanvankelijk naar een onjuist adres werd verzonden en niet tijdig is hersteld. Daarom wordt deze nota vernietigd wegens verjaring.
Verder is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro bij de afhandeling van de correctienota 1990 en de boetenota's, met name voor appellante 1. De Raad matigt daarom de boetenota over 1990 tot nihil en vermindert de overige boetenota's aanzienlijk. Voor appellante 2 is de lange afhandeling deels toe te schrijven aan appellante 2 zelf, zodat daar geen schending wordt aangenomen.
De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten aan appellanten en wijst de overige beroepen af. Deze uitspraak vervangt de eerdere besluiten en bepaalt nieuwe boetebedragen.
Uitkomst: De correctienota 1992 wordt vernietigd wegens verjaring en de boetenota's worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.