ECLI:NL:CRVB:2004:AO5504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2921 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AbwArt. 7 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing schuld tijdens bijstandsuitkering

Appellant heeft bij het College van burgemeester en wethouders van Winterswijk bijzondere bijstand aangevraagd voor de aflossing van een schuld aan Scheidegger Opleidingen B.V. ter hoogte van f 6.403,40. Dit verzoek werd op 16 augustus 2001 afgewezen en het bezwaar hiertegen werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van het ontstaan van de schuld een bijstandsuitkering ontving en daarmee beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) kan in dat geval geen bijzondere bijstand worden verleend voor schuldaflossing. Hoewel artikel 15, tweede lid, onder b, van de Abw een uitzondering biedt bij zeer dringende redenen, oordeelt de Raad dat appellant dergelijke redenen niet heeft aangetoond.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft daarmee het oordeel van de rechtbank en bevestigt de afwijzing van de bijzondere bijstand. Tevens wordt geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor schuldaflossing wordt bevestigd omdat appellant beschikte over middelen en geen zeer dringende redenen zijn aangetoond.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/2921 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 16 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/1460 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 16 januari 2004 heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep nader toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 16 augustus 2001 heeft gedaagde appellants aanvraag om bijzondere bijstand ter aflossing van een schuld aan Scheidegger Opleidingen B.V. te Venlo ten bedrage van f 6.403,40 afgewezen.
Bij besluit van 15 november 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 16 augustus 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarmee appellant zich niet kan verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat appellant ten tijde van het ontstaan van de schuld bij Scheidegger een bijstandsuitkering ontving. Hij beschikte aldus over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht te verkeren in bijstand- behoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van die wet. Eerstgenoemde bepaling staat aan bijstandsverlening aan appellant voor de desbetreffende schuld in de weg.
In artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van het eerste lid bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.
De Raad onderschrijft de gronden waarop de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan worden beschouwd als zeer dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid zou toekomen om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Abw, bijzondere bijstand ter betaling van zijn schuld toe te kennen. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht gegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.