ECLI:NL:CRVB:2004:AO7351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte bijstand na 18e verjaardag inwonende zoon
Appellante ontving sinds 1996 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon. Na het bereiken van de 18-jarige leeftijd door haar inwonende zoon stelde het College van Burgemeester en Wethouders de bijstand vast op het niveau van een alleenstaande, omdat de zoon vanaf dat moment niet langer als ten laste komend kind wordt beschouwd.
Appellante maakte bezwaar tegen deze wijziging, stellende dat zij recht had op de toeslag voor alleenstaande ouders. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de wettelijke bepalingen en de gemeentelijke verordening correct waren toegepast. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de wetgever het begrip alleenstaande ouder koppelt aan het recht op kinderbijslag, dat vervalt bij het bereiken van 18 jaar.
De Raad overweegt verder dat de door appellante aangevoerde onredelijkheid en vermeende discriminatie niet tot een ander oordeel leiden, mede omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstand wordt vastgesteld op het niveau van een alleenstaande na het bereiken van 18 jaar door de inwonende zoon, beroep wordt ongegrond verklaard.