ECLI:NL:CRVB:2004:AO7474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onjuiste grondslag resterende verdiencapaciteit
Appellant, werkzaam als directeur en groot-aandeelhouder van een verwarmingsbedrijf, had een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid sinds mei 1994. Het UWV stelde in 1996 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 25%, gebaseerd op een urenvergelijking en deeltakenanalyse. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep wijzigde het UWV de grondslag van het besluit en baseerde de arbeidsongeschiktheid op het duurzame resterende verdienvermogen van appellant in zijn eigen onderneming. Uit onderzoek bleek dat het inkomen van appellant voor een groot deel bestond uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering van zijn particuliere verzekeraar, waardoor de gehanteerde inkomsten geen reële weerspiegeling van zijn verdiencapaciteit waren.
De Raad oordeelde dat de methode van urenvergelijking en deeltakenanalyse niet toepasbaar was bij een doorwerkende zelfstandige met substantiële resterende verdiencapaciteit. De gehanteerde inkomsten konden niet als representatief worden beschouwd, waardoor het besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd werden. Het UWV werd veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot vaststelling van minder dan 25% arbeidsongeschiktheid wordt vernietigd en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen.