ECLI:NL:CRVB:2004:AO8168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van overgangsregeling en mobiliteitsbeleid voor speurhondgeleiders bij de Belastingdienst
Appellant, werkzaam als speurhondgeleider bij de Belastingdienst sinds 1984, verzocht in 2000 om een nieuwe speurhond nadat zijn derde hond was afgekeurd. Dit verzoek werd geweigerd op grond van het mobiliteitsbeleid dat functionele mobiliteit voorschrijft. De rechtbank vernietigde dit besluit in 2001 omdat het beleid onvoldoende rekening hield met rechtszekerheid en overgangsregelingen voor reeds werkzame speurhondgeleiders.
Naar aanleiding daarvan formuleerde de Staatssecretaris een overgangsregeling die geografische mobiliteit mogelijk maakt na de gebruiksduur van twee honden, waarbij rekening wordt gehouden met persoonlijke omstandigheden en formatieve ruimte. Appellant werd vervolgens geplaatst in het district Amsterdam, wat hij aanvocht met het argument dat er geen adequate overgangsregeling was en dat het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel waren geschonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Staatssecretaris het beleid op juiste wijze had aangepast en toegepast. Er was geen ondubbelzinnige toezegging geweest dat appellant in zijn oude district zou terugkeren. De plaatsing in Amsterdam was passend gezien de mobiliteitscriteria, woonplaats en beschikbare vacature. Ook het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat appellant aan de criteria voldeed en niet aannemelijk was gemaakt dat anderen anders werden behandeld.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De zaak illustreert de balans tussen mobiliteitsbeleid, rechtszekerheid en individuele belangen binnen het ambtenarenrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.