Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AO8700

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4953 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a ABWArt. 84 Abw (oud)Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijk aansprakelijkheid bij terugvordering van ten onrechte verleende bijstand in geval van gezamenlijke huishouding

Het geschil betreft de terugvordering van bijstand die aan gedaagde en haar ex-echtgenoot ten onrechte is verleend. Gedaagde ontving bijstand volgens de norm voor een eenoudergezin, terwijl haar ex-echtgenoot bijstand kreeg volgens de norm voor een alleenstaande. De gemeente Amsterdam herzag en trok de bijstand in na onderzoek waaruit bleek dat zij hun gezamenlijke huishouding hadden verzwegen.

De rechtbank had geoordeeld dat gedaagde niet hoofdelijk aansprakelijk was voor de terugvordering van de bijstand aan haar ex-echtgenoot, maar wel voor het meerdere boven een bepaald bedrag. De gemeente stelde in hoger beroep dat de hoofdelijk aansprakelijkheid ook betrekking heeft op de terugvordering van de bijstand aan de ex-echtgenoot, verwijzend naar eerdere jurisprudentie.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat volgens artikel 59a, tweede lid, van de ABW en artikel 84, tweede lid, van de oude Abw geen ruimte is voor medeterugvordering van de partner van wie de middelen niet zijn meegewogen, indien aan die partner gezinsbijstand is verleend. Omdat gedaagde gezinsbijstand ontving en haar ex-echtgenoot niet, is zij niet hoofdelijk aansprakelijk voor diens terug te vorderen bijstand. De aangevallen uitspraak wordt voor zover aangevochten vernietigd en het beroep in dat onderdeel ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het oordeel dat gedaagde hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugvordering van bijstand aan haar ex-echtgenoot en verklaart het beroep van de gemeente in dat onderdeel ongegrond.

Uitspraak

01/4953 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 28 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 00/4158 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2004, waar voor appellant is verschenen mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft sinds 22 juni 1987 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) ontvangen naar de norm van een eenoudergezin. Met ingang van 1 januari 1996 is deze voortgezet op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Aan [naam ex-echtgenoot], de ex-echtgenoot van gedaagde, is met ingang van 6 november 1992 op grond van de op de ABW gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Deze bijstand is met ingang van 1 februari 1997 voortgezet op grond van de Abw. Bij besluiten van 30 juli 1999 heeft appellant het recht op bijstand van gedaagde en haar ex-echtgenoot over een in dat besluit genoemde periode herzien (lees: ingetrokken) nadat uit onderzoek van de sociale recherche was gebleken dat zij onder meer hun gezamenlijke huishouding vanaf 15 oktober 1990 hadden verzwegen. Tevens is bij die besluiten de van 1 augustus 1994 tot en met 31 juli 1998 aan gedaagde en haar ex-echtgenoot verleende bijstand ten bedrage van f 126.147,08 van gedaagde en haar ex-echtgenoot teruggevor-derd. Dit bedrag is opgebouwd uit f 36.399,96 wegens ten onrechte aan gedaagde verleende bijstand en f 89.747,12 wegens ten onrechte aan haar ex-echtgenoot verleende bijstand.
Bij besluit van 10 juli 2000 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het aan haar gerichte besluit van 30 juli 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover in hoger beroep nog in geschil - het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht op (mede)terugvordering van gedaagde van het meerdere boven een bedrag van f 36.399,96 bruto en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant ter zitting van de rechtbank het juiste standpunt heeft ingenomen dat - anders dan in het bestreden besluit is neergelegd - gedaagde niet hoofdelijk aansprakelijk is te achten voor de terugvordering van de aan haar ex-echtgenoot verleende bijstand.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak. Aangevoerd is dat hetgeen ter zitting van de rechtbank naar voren is gebracht over de reikwijdte van artikel 59a, tweede lid, van de ABW en artikel 84, tweede lid (oud), van de Abw slechts betrekking had op de medeterugvordering van de ex-echtgenoot van de ten onrechte aan gedaagde verleende bijstand en niet (ook) op de medeterugvordering van gedaagde van de ten onrechte verleende bijstand aan haar ex-echtgenoot. De rechtbank is er naar de mening van appellant ten onrechte aan voorbij gegaan dat aan gedaagde ten tijde van belang gezinsbijstand naar de norm voor een eenoudergezin was verleend en aan de ex-echtgenoot bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft in dit verband een beroep gedaan op 's Raads uitspraak van 13 maart 2001, gepubliceerd in JABW 2001/79.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 59a, tweede lid, van de ABW is bepaald dat indien de bijstand op grond van artikel 5 of Pro 5a als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de betrokkene onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de verplichting bedoeld in artikel 30, tweede lid, niet of niet behoorlijk is nageko-men, de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de Abw (oud) is nagenoeg gelijkluidend en heeft dezelfde strekking.
De Raad heeft al eerder beslist, onder andere in zijn evenvermelde uitspraak van 13 maart 2001, dat deze wettelijke bepalingen in een geval, waarin wel (naar de norm van een eenoudergezin) gezinsbijstand is verleend, geen ruimte bieden voor medeterugvordering van de partner met wiens middelen ten onrechte geen rekening is gehouden.
Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat de rechtbank in navolging van appellant heeft geoordeeld dat deze situatie zich - verwezen wordt naar haar uitspraak in de zaak tussen [naam ex-echtgenoot] en appellant - wel ten aanzien van de ex-echtgenoot van gedaagde voordoet, maar niet ten aanzien van gedaagde. Aan de ex-echtgenoot was immers geen gezinsbijstand verleend, maar bijstand naar de norm voor een alleenstaande. In het geval van gedaagde ligt dit anders aangezien aan haar tot 1 januari 1996 bijstand naar de norm voor een eenoudergezin is verleend.
Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover aangevochten. Het inleidend beroep dient in zoverre ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.