ECLI:NL:CRVB:2004:AO8713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het Nederlanderschap en recht op bijstandsuitkering volgens de Algemene bijstandswet
Appellant, geboren in Ghana, ontving jarenlang een bijstandsuitkering. Bij beschikking van 4 maart 1998 wees de rechtbank 's-Gravenhage zijn verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af. Op basis hiervan schortte het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam de bijstandsuitkering op per 1 mei 1998.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het College zelfstandig had moeten beoordelen of hij Nederlander was en dat het onterecht was om af te gaan op verklaringen van de korpschef. De Raad overweegt dat het College gebonden is aan de onherroepelijke beschikking van de rechtbank en geen zelfstandige toetsing mag uitvoeren.
Verder oordeelt de Raad dat appellant ten tijde van het geschil een vreemdeling was zonder rechtmatig verblijf, waardoor het College op grond van de Algemene bijstandswet geen beleidsvrijheid had om bijstand te verlenen. Er waren ook geen zeer dringende redenen om hiervan af te wijken.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het beroep van appellant af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens het ontbreken van het Nederlanderschap en rechtmatig verblijf.