ECLI:NL:CRVB:2004:AO8721

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4387 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding griffierecht ongegrond verklaard

Opposant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht van € 87,-- binnen de gestelde termijn van vier weken. Opposant diende hiertegen een verzetschrift in. Tijdens de zitting op 7 april 2004 verscheen opposant persoonlijk, terwijl de geopposeerde partij zich niet liet vertegenwoordigen.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat er geen aanleiding was het eerdere oordeel te herzien. De vertraging in de betaling van het griffierecht per giro, veroorzaakt door ontoereikend saldo, kwam voor risico van opposant. Er waren geen gronden om te concluderen dat opposant niet in verzuim was geweest.

Op grond hiervan verklaarde de Raad het verzet ongegrond en wees zij het verzoek om een andere beslissing af. Tevens werden geen proceskosten aan opposant toegekend. De uitspraak werd gedaan door mr. G.A.J. van den Hurk, in aanwezigheid van griffier mr. M.C.M. Hamer, op 27 april 2004.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V OU D IG E K A M E R
03/4387 NABW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 25 november 2003 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 juli 2003, reg.nr. 02/1850 NABW, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 7 april 2004, waar opposant in persoon is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 25 november 2003 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 87,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 29 september 2003 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
Hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Daarbij merkt de Raad op dat vertraging in de betaling van het griffierecht per giro wegens ontoereikend saldo voor risico van de belanghebbende komt.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.