ECLI:NL:CRVB:2004:AO9144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geen onderscheid tussen psychische en niet-psychische ziekten in WAO-uitkering
Appellant, werkzaam als leraar, kampte sinds de jaren tachtig met fibromyalgie en meldde zich in 1989 ziek. Na diverse medische beoordelingen werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld tussen 55 en 65%, later herzien naar 65 tot 80% door de rechtbank. Gedaagde handhaafde het besluit, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat appellant in staat moet worden geacht het merendeel van de geselecteerde functies te vervullen, ondanks beperkingen. Het onderscheid tussen psychische en niet-psychische ziekten bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid wordt verworpen; arbeidsongeschiktheid moet objectief medisch worden vastgesteld ongeacht de aard van de ziekte.
Appellants aanvullende medische stukken, waaronder een Ergos-werksimulatoronderzoek en een rapport van een revalidatiearts, worden door de Raad met terughoudendheid beoordeeld en onvoldoende geacht om het oordeel te wijzigen. De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het herzieningsbesluit.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het herzieningsbesluit wordt bevestigd.