ECLI:NL:CRVB:2004:AO9293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Geen recht op alleenstaande bijstand wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante had bijstand aangevraagd als alleenstaande, terwijl zij volgens het College van burgemeester en wethouders van Almelo een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. Dit leidde tot afwijzing van haar aanvraag en bevestiging daarvan door de rechtbank. De Centrale Raad van Beroep onderzocht of de partner zijn hoofdverblijf had verplaatst en concludeerde op basis van huisbezoeken en onderzoek dat dit niet het geval was.
De Raad stelde vast dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw). Hierdoor had appellante geen recht op bijstand naar de norm voor alleenstaanden, maar moest zij als gehuwd worden aangemerkt. Het besluit van 8 februari 2001 werd daarom vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12 Awb Pro.
De Raad bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen rekening houdend met deze uitspraak en veroordeelde het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit dat appellante geen recht had op bijstand als alleenstaande wegens gezamenlijke huishouding is vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen.