ECLI:NL:CRVB:2004:AO9398

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1680 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, zevende lid BbpArt. 17 BbpArt. 65 BarpArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om functieonderhoud medewerker politie na tijdelijke plaatsing

Appellant was sinds 1997 werkzaam als medewerker Basispolitiezorg A (schaal 7) en vervulde vanaf oktober 1998 tijdelijk de functie van Coördinator Afdelingsrecherche (schaal 8) tot maart 2000. Op zijn verzoek om functieonderhoud werd aanvankelijk toegezegd dat zijn functie zou worden aangepast aan de feitelijke werkzaamheden.

Dit besluit werd later ingetrokken en appellant werd met terugwerkende kracht tijdelijk geplaatst op de hogere functie met een nabetaling van een toelage. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing werd afgewezen door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat functieonderhoud bedoeld is voor situaties waarin de feitelijke werkzaamheden binnen de organieke functie wezenlijk afwijken, maar dat tijdelijke vervulling van een aparte, zelfstandige functie na sollicitatie hier niet onder valt. De toekenning van een waarnemingstoelage was passend en bracht geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om functieonderhoud wordt afgewezen en de tijdelijke plaatsing met waarnemingstoelage blijft gehandhaafd.

Uitspraak

03/1680 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 maart 2003, nr. AW 01/1915, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. A.J.M. van Meer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. E.L.J. van der Peet, werkzaam bij de politieregio Noord-Holland Noord (hierna: de politieregio).
II. MOTIVERING
1. Voor een uitvoerige uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant was sedert 1 juli 1997 in de politieregio werkzaam als medewerker Basispolitiezorg A (hierna: medewerker BPZ-A), bezoldigd naar schaal 7 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Nadat besloten was tijdelijk een "Afdelingsrecherche, unit stad" op te richten, heeft appellant op instigatie van gedaagde gesolliciteerd naar de functie van Coördinator van die afdelingsrecherche, een functie op het niveau van schaal 8. Met ingang van 6 oktober 1998 is appellant de werkzaamheden van Coördinator gaan verrichten. Het lag, uiteindelijk, in de bedoeling dat appellant dat werk tot 1 januari 2001 zou doen. Als gevolg van ziekte heeft appellant in werkelijkheid de werkzaamheden verricht tot 23 maart 2000.
1.2. Op appellants verzoek om functieonderhoud als bedoeld in de door gedaagde krachtens artikel 6, zevende lid, van het Bbp vastgestelde Regeling functieonderhoud, is bij besluit van 11 januari 2001 medegedeeld dat de voor appellant geldende functie van medewerker BPZ-A in overeenstemming zou worden gebracht met de feitelijk gedurende de periode van 6 oktober 1998 tot 9 maart 2000 verrichte werkzaamheden binnen de Afdelingsrecherche.
1.3. Hangende bezwaar tegen dat besluit heeft gedaagde bij besluit van 8 mei 2001 het besluit van 11 januari 2001 ingetrokken. Daarbij heeft hij tevens besloten appellant met toepassing van artikel 65 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) voor de duur van 6 oktober 1998 tot 1 januari 2001 tijdelijk te plaatsen op de functie van Coördinator Afdelingsrecherche. Omdat de niveaubepalende elementen van de werkzaamheden in die functie het niveau van schaal 8 rechtvaardigden, is appellant "een nabetaling toegekend overeenkomstig de toelage bedoeld in artikel 17 van Pro het Besluit bezoldiging politie".
1.4. Omdat met het nadere besluit niet tegemoetgekomen was aan appellants bezwaar, is dat bezwaar mede gericht geacht tegen het nadere besluit. Bij beslissing op bezwaar van 9 oktober 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de (nadere) afwijzing van appellants verzoek om functieonderhoud gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat functieonderhoud met name ziet op en bedoeld is voor die situatie waarbij in de loop der tijd wijzigingen van de feitelijke werkzaamheden optreden ten opzichte van de organieke functie. Functieonderhoud is dan ook niet aan de orde, aldus de rechtbank, indien andere werkzaamheden worden opgedragen waardoor een samenstel van werkzaamheden ontstaat dat zich in voldoende mate als herkenbare eenheid onderscheidt van enig, als gevolg van diverse ontwikkelingen, ander samenstel van werkzaamheden.
3.1. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank de Regeling functieonderhoud niet juist heeft geïnterpreteerd. Hij is van oordeel dat op grond van die regeling in zijn geval functieonderhoud dient plaats te vinden omdat hij gedurende meer dan twee jaar werkzaamheden heeft verricht die niet vielen binnen de functiebeschrijving van medewerker BPZ-A en ook niet voortkwamen uit een door het bevoegd gezag verleende goedkeuring tot afwijking daarvan.
3.2. De constructie van tijdelijke plaatsing op grond van artikel 65 van Pro het Barp acht appellant in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Hij wijst erop dat hij met terugwerkende kracht is geplaatst op de functie van Coördinator Afdelingsrecherche hetgeen voor hem rechtspositioneel nadeel met zich heeft gebracht.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Hij verenigt zich in hoofdlijnen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Het is de strekking van artikel 6, zevende lid, van het Bbp en van de daarop gebaseerde Regeling functieonderhoud om tot zogeheten functieonderhoud over te gaan indien de werkzaamheden die de ambtenaar feitelijk opgedragen krijgt in het kader van de door hem beklede (organieke) functie gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van het oorspronkelijk (organiek) samenstel van werkzaamheden. In het onderhavige geval was aan de orde het tijdelijk gaan vervullen van een andere, op zichzelf staande, apart ontwikkelde functie. Appellant is met het vervullen van die tijdelijke functie belast na een sollicitatie daarnaar, toen niemand daarvoor beschik- baar bleek. Appellant is dus niet zijn functie van medewerker BPZ-A blijven vervullen waarbij hem gedurende langere tijd feitelijk werkzaamheden zijn opgedragen die wezenlijk afweken van het samenstel van werkzaamheden behorende bij de BPZ-A-functie, maar hij is tijdelijk, zoals hem bekend was, een andere functie gaan waarnemen.
4.2. Dat gedaagde aan appellant voor het vervullen van die functie een toelage heeft toegekend overeenkomstig de waarnemingstoelage van artikel 17 van Pro het Bbp, acht de Raad in de onderhavige situatie een alleszins aanvaardbare keuze. Van strijd met de rechtszekerheid is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Appellant is een toelage toegekend omdat aan de tijdelijk opgedragen functie een hoger maximumsalaris verbonden was. De toelage is voorts verleend over de gehele beoogde periode, zodat de Raad appellant niet kan volgen in zijn opvatting dat de toepassing van artikel 65 van Pro het Barp nadeel met zich heeft gebracht.
5. Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) L.N. Nijhuis.