ECLI:NL:CRVB:2004:AP0286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens bezit onroerend goed in buitenland
Appellante ontving sinds 1992 een bijstandsuitkering en werd verdacht van het niet juist opgeven van haar woonsituatie en vermogen, met name het bezit van onroerend goed in Spanje. Na onderzoek, onder meer via Interpol, bleek zij geregistreerd als eigenaresse van een chalet en een aandeel in een pand in Spanje.
De gemeente beëindigde de uitkering per 1 maart 1999 omdat het vermogen van appellante de vrijlatingsgrens volgens artikel 54 Abw Pro overschreed. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellante voerde onder meer aan dat haar echtgenoot eigenaar was en dat zij wel degelijk in Amsterdam woonde, maar slaagde er niet in dit voldoende te bewijzen.
De Raad oordeelde dat het eigendom in het officiële register de veronderstelling wekt dat het vermogen beschikbaar is en dat appellante onvoldoende bewijs leverde van het tegendeel. Ook het ontbreken van een beëdigde vertaling en het niet verschijnen ter zitting speelden mee. De bijstandsuitkering werd daarom terecht beëindigd en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante werd terecht beëindigd vanwege het bezit van onroerend goed in Spanje dat haar vermogen boven de vrijlatingsgrens bracht.