ECLI:NL:CRVB:2004:AP0492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep WIK-uitkering
Verzoeker, het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar van gedaagde tegen de vaststelling van haar WIK-uitkering gegrond verklaarde. Gedaagde ontving een WIK-uitkering over de periode van september tot december 2000, waarvan de definitieve vaststelling en terugvordering onderwerp van geschil waren.
De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard omdat verzoeker onjuiste en gedragsbepalende informatie zou hebben verstrekt over de berekening van de uitkering en onvoldoende had gemotiveerd waarom niet zou worden afgeweken van de dwingendrechtelijke bepalingen van de WIK. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening in afwachting van het hoger beroep.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Tevens miskent verzoeker dat over de betreffende periode reeds een WIK-uitkering is verstrekt. Indien de Raad in de hoofdzaak het besluit van 10 december 2002 in stand zou houden, leidt dit tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en het ter uitvoering daarvan genomen besluit.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb Pro af en ziet geen aanleiding tot veroordeling in de proceskosten. Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en wordt zonder zitting beslist.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.