Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0492

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2153 WIK-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 10 WIKArt. 18 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep WIK-uitkering

Verzoeker, het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar van gedaagde tegen de vaststelling van haar WIK-uitkering gegrond verklaarde. Gedaagde ontving een WIK-uitkering over de periode van september tot december 2000, waarvan de definitieve vaststelling en terugvordering onderwerp van geschil waren.

De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard omdat verzoeker onjuiste en gedragsbepalende informatie zou hebben verstrekt over de berekening van de uitkering en onvoldoende had gemotiveerd waarom niet zou worden afgeweken van de dwingendrechtelijke bepalingen van de WIK. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening in afwachting van het hoger beroep.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Tevens miskent verzoeker dat over de betreffende periode reeds een WIK-uitkering is verstrekt. Indien de Raad in de hoofdzaak het besluit van 10 december 2002 in stand zou houden, leidt dit tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en het ter uitvoering daarvan genomen besluit.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb Pro af en ziet geen aanleiding tot veroordeling in de proceskosten. Het verzoek om voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en wordt zonder zitting beslist.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

04/2153 WIK-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 11 maart 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 03/310 WIK, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij afzonderlijk schrijven van 19 april 2004 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Gedaagde is werkzaam als regisseur. Zij vroeg op 2 oktober 2000 gedaagde haar een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) toe te kennen. Bij besluit van 29 januari 2001 heeft verzoeker de uitkering met ingang van 20 september 2000 aan gedaagde toegekend en wel voorlopig in de vorm van een renteloze geldlening.
Bij besluit van 15 juli 2002 heeft verzoeker de WIK-uitkering van gedaagde over de periode van 20 september 2000 tot en met 31 december 2000 definitief vastgesteld op € 744,78 en de verleende uitkering tot dit bedrag omgezet in een uitkering om niet. Voorts is bepaald dat de lening over deze periode gehandhaafd wordt tot een bedrag van € 900,92 en dat zij dit bedrag moet terugbetalen.
Gedaagde heeft tegen het besluit van 15 juli 2002 bezwaar gemaakt en daarbij onder meer verwezen naar de haar in het besluit van 29 januari 2001 verstrekte informatie over de wijze waarop de definitieve vaststelling van haar WIK-uitkering zal plaatsvinden.
Bij besluit van 10 december 2002 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 10 december 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker gedaagde onjuiste en gedragsbepalende informatie verschaft over de wijze van berekening van de definitieve WIK-uitkering. Voorts is onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval niet afgeweken zou moeten worden van de in artikel 10 van Pro de WIK dwingendrechtelijk voorgeschreven wijze van vaststelling van de uitkering en/of de daaraan verbonden terugvordering van het deel van de uitkering dat als lening moet worden aangemerkt.
Naar aanleiding van het thans gedane verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voor-zieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Hetgeen in het verzoekschrift is gesteld levert geen grond om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang. De stelling dat uitvoering geven aan de aangevallen uitspraak zou inhouden dat verzoeker gehouden zou zijn in het nieuw te nemen besluit op bezwaar een uitkering krachtens de WIK contra legem te verstrekken, miskent dat over de in geding zijnde periode reeds een WIK-uitkering aan gedaagde is verstrekt. Indien verzoeker in afwachting en onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep alsnog besluit de gehele over die periode verleende WIK-uitkering om te zetten in een uitkering om niet en de Raad, beslissende in de hoofdzaak, zou tot de slotsom komen dat het besluit van 10 december 2002 in rechte stand kan houden, leidt dit tot een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot een vernietiging van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit.
Voorts acht de voorzieningenrechter de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, bepaald onvoldoende grondslag voor het oordeel dat enig spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert.
Ten slotte wijst de voorzieningenrechter er nog op dat de mogelijkheid om (hangende) hoger beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet bedoeld is om door middel van de zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen (zie ook de uitspraak van 18 november 2003, gepubliceerd in RSV 2004/83).
Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van art 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.