ECLI:NL:CRVB:2004:AP0528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende onafgebroken arbeidsongeschiktheid vanaf 17 jaar
Gedaagde vroeg een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aan, maar appellant weigerde deze omdat zij vanaf haar zeventiende verjaardag niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit met nader onderzoek.
In hoger beroep betoogde appellant dat het onderzoek terecht beperkt was tot de periode maart 1977 tot oktober 1978 en dat de aanvraag gezien moest worden als een AAW-uitkering. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht de Wajong-uitkering weigerde, maar dat het onderzoek naar mogelijke aanspraken op een AAW-uitkering te beperkt was geweest. Er had ook een arbeidskundig onderzoek moeten plaatsvinden om te beoordelen of gedaagde met haar beperkingen passend werk kon verrichten.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zich moet beperken tot de periode waarin gedaagde aan de inkomenseis van de AAW kan voldoen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbeterde gronden, veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten en legde een recht van € 409,- op aan het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende onafgebroken arbeidsongeschiktheid vanaf zeventien jaar, maar oordeelt dat het onderzoek naar aanspraken op AAW-uitkering uitgebreider had moeten zijn.