ECLI:NL:CRVB:2004:AP0530

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/5204 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30, tweede lid, Algemene BijstandswetArt. 55, derde lid, Algemene BijstandswetArt. 57, aanhef en onder d, Algemene Bijstandswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstandsuitkering wegens vermogen

Appellant ontving vanaf 3 juli 1992 een bijstandsuitkering die op 1 november 1995 werd beëindigd vanwege het bezit van vermogen boven de vrijlatingsgrens. De Raad handhaafde deze beëindiging in een eerdere uitspraak van 12 januari 1999.

Gedaagde vorderde vervolgens bijstandskosten terug over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 31 oktober 1995, een bedrag van f 31.100,39, omdat appellant het vermogen niet had gemeld. Dit besluit werd op 31 maart 2000 gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Er zijn geen dringende redenen voor het afzien van terugvordering en de situatie van appellant wijkt niet af van eerdere beoordelingen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten wegens niet gemeld vermogen en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

01/5204 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid weer bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 september 2002, reg.nr. 00/4828 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Appellant ontving met ingang van 3 juli 1992 een bijstandsuitkering, welke uitkering bij besluit van 22 december 1995 met ingang van 1 november 1995 is beëindigd op de grond dat appellant kon beschikken over een vermogen dat ver uitging boven de grens van het in zijn geval vrij te laten bescheiden vermogen. Bij zijn uitspraak van 12 januari 1999 heeft de Raad die beëindiging in stand gelaten.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 7 september 1999 de over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 31 oktober 1995 gemaakte kosten van bijstand, een bedrag groot f 31.100,39, van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant over meer vermogen beschikte dan het in zijn geval vrij te laten bescheiden vermogen hetgeen hij niet aan gedaagde had gemeld. Bij besluit van 31 maart 2000 heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd. Gedaagde heeft bij dit besluit de terugvordering gebaseerd op de artikelen 30, tweede lid, en 57, aanhef en onder d, van de Algemene Bijstandswet.
De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 31 maart 2000 ingestelde beroep bij de thans aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht heeft besloten tot terugvordering van de over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 31 oktober 1995 gemaakte kosten van bijstand. De Raad ziet niet dat de situatie waarin appellant gedurende de hier aan de orde zijnde periode verkeerde afwijkt van de situatie op 1 november 1995, waarover de Raad reeds eerder bij zijn uitspraak van 12 januari 1999 een oordeel gaf.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW, in welk geval gedaagde de bevoegdheid heeft geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad evenmin gebleken.
Het hoger beroep kan dan ook niet slagen.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
EK2004