ECLI:NL:CRVB:2004:AP0546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld bij ongeschiktheid voor werk als magazijnchef
Appellant, werkzaam als magazijnchef, meldde zich ziek met psychische en fysieke klachten. Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst en een periode van werkloosheid, meldde hij zich opnieuw ziek met klachten aan heupen en handen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde ziekengeld op grond dat appellant geschikt bleef voor zijn functie. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts concludeerden dat appellant zijn werk kon verrichten.
Appellant voerde aan dat zijn functie fysiek zwaarder was dan beschreven, maar de Raad hechtte hieraan geen waarde omdat dezelfde functieomschrijving eerder door appellant zelf was bevestigd en geen bezwaar daartegen was gemaakt. Medische rapporten van behandelende artsen ondersteunden het oordeel van de verzekeringsartsen.
De Raad oordeelde dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk als magazijnchef en bevestigde het besluit van het Uwv dat het beroep ongegrond is. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd op 2 juni 2004 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt geweigerd vanaf 9 augustus 2001.