ECLI:NL:CRVB:2004:AP0992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens verblijf in TBS-kliniek
Appellant ontving sinds 18 mei 1999 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Gedaagde schortte deze uitkering per 1 augustus 2000 op omdat appellant sinds 8 mei 2000 verbleef in een TBS-kliniek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze schorsing ongegrond, stellende dat op grond van artikel 43 lid 5 WAO Pro het gegronde vermoeden bestond dat appellant geen recht meer had op de uitkering.
Appellant voerde principiële bezwaren aan tegen de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden, maar deze konden volgens de rechtbank pas bij een definitieve intrekking van de uitkering worden beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en oordeelt dat de schorsing van de uitkering terecht is, omdat appellant rechtens zijn vrijheid is ontnomen en daarmee het recht op WAO-uitkering is komen te vervallen.
De Raad benadrukt dat in deze procedure alleen de schorsing wordt beoordeeld en niet de definitieve intrekking. Tevens is gebleken dat gedaagde in oktober 2001 een besluit tot definitieve intrekking heeft genomen, waartegen geen bezwaar is gemaakt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering van appellant wegens verblijf in een TBS-kliniek wordt bevestigd.