ECLI:NL:CRVB:2004:AP1176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstandsuitkering wegens vermogen in niet zelf bewoonde eigen woning
Appellant ontving sinds 1994 een aanvullende bijstandsuitkering en verhuisde in 1995 naar een huurwoning, terwijl hij eigenaar bleef van een eerder bewoonde woning. Na een heronderzoek in 1998 ontstond het vermoeden dat de waarde van deze woning het toegestane vermogen overschreed, waarop de uitkering werd geblokkeerd en later beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de beëindiging ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de waarde van de woning niet correct was vastgesteld en dat hij niet over het vermogen kon beschikken omdat de woning door zijn kinderen werd bewoond. De Raad oordeelde dat het vermoeden van vermogen boven de grens terecht was, mede gelet op taxaties, verkoop aan de zoon en hypotheken.
De Raad bevestigde dat de gemeente terecht de uitkering beëindigde en de oorspronkelijke beëindigingsdatum handhaafde, omdat appellant weigerde de opgelegde verplichting tot tegeldemaking van de woning na te komen. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht beëindigd vanwege het vermogen in de niet zelf bewoonde eigen woning.