ECLI:NL:CRVB:2004:AP1178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
In deze zaak staat de terugvordering van bijstand centraal die aan [K.] is verleend over de periode van 1 november 1994 tot 1 mei 1999. De gemeente Zwolle stelde vast dat [K.] en appellante een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, waardoor de bijstand ten onrechte als individuele uitkering werd verstrekt in plaats van als gezinsbijstand.
De rechtbank oordeelde eerder dat de bijstand terecht was ingetrokken en teruggevorderd, met uitzondering van enkele periodes waarin geen gezamenlijke huishouding bestond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet aansprakelijk kon worden gehouden omdat zij een inkomen had boven de bijstandsnorm, maar de Raad verwierp deze stelling en bevestigde dat de terugvordering mede op haar rust.
De Raad baseerde zich op verklaringen van betrokkenen en buurtbewoners waaruit bleek dat er sprake was van wederzijdse verzorging en gezamenlijke huishouding. De toepasselijke wetsartikelen, waaronder artikel 59a, tweede lid, van de ABW en artikel 84, tweede lid, van de Abw, bepalen dat bij onjuiste inlichtingen de kosten van bijstand mede verhaald kunnen worden op de persoon met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden.
De Raad concludeerde dat appellante mede aansprakelijk is voor de terugvordering en dat de gemeente niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De uitspraak van de rechtbank wordt hiermee bevestigd en er wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand aan appellante wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.