ECLI:NL:CRVB:2004:AP1243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. Van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAJONG-uitkering wegens verzwegen inkomsten
Appellant ontvangt sinds 1988 een WAJONG-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2000 werd vastgesteld dat appellant op meerdere dagen per week parkeerkaartjes doorverkocht en daarmee aanzienlijke inkomsten genereerde. Gedaagde, het UWV, besloot daarom de uitkering over de periode van februari 2000 tot februari 2001 niet uit te betalen en eiste terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen.
Appellant maakte geen bezwaar tegen de besluiten over niet-uitbetaling en terugvordering, waardoor deze besluiten onaantastbaar werden. In het hoger beroep betoogde appellant dat hij door zijn zwakbegaafdheid niet begreep dat hij zijn inkomsten moest melden en dat hij in een strafzaak vrijgesproken was van verwijtbaar handelen. De Raad oordeelde echter dat deze aspecten niet relevant zijn voor de terugvordering van onverschuldigde uitkering.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat geen dringende reden aanwezig was om af te zien van terugvordering, aangezien appellant geen uitzonderlijke financiële of psychische problemen door de terugvordering aantoonde. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd, ondanks de vrijspraak in de strafrechtelijke procedure en de zwakbegaafdheid van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAJONG-uitkering ondanks de zwakbegaafdheid en vrijspraak van appellant.