ECLI:NL:CRVB:2004:AP1524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstand wegens werkzaamheden in familiebedrijf
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde beëindigde deze bijstand per 1 september 1997 omdat appellant, gelet op de omvang van zijn werkzaamheden in het bedrijf van zijn vader, niet werkloos werd geacht. Na bezwaar en beroep werd aanvankelijk het besluit vernietigd en bijstand toegekend gedurende het hoger beroep. Uiteindelijk oordeelde de Raad dat de bijstand over de periode van 1 september 1997 tot en met 31 maart 1999 onverschuldigd was betaald.
De Raad stelt vast dat artikel 81, tweede lid, van de Abw een wettelijke grondslag biedt voor terugvordering van bijstand die onverschuldigd is betaald, ook indien deze is verstrekt ter uitvoering van een voorlopige voorziening. Appellant moest rekening houden met de mogelijkheid van terugvordering omdat de bijstand werd verleend op grond van een voorlopige voorziening.
Er zijn geen dringende redenen gevonden om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De Centrale Raad bevestigt daarom het besluit tot terugvordering van de onverschuldigde bijstand en verklaart het beroep ongegrond. Een veroordeling in proceskosten wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde bijstand wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.