ECLI:NL:CRVB:2004:AP1670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht van voormalig aandeelhouder in managementovereenkomst beoordeeld
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarin werd geoordeeld dat geen verzekeringsplichtige arbeid bestond tussen gedaagde en [M.J.H.], voormalig aandeelhouder en manager van gedaagde.
De Raad overwoog dat de managementovereenkomst en feitelijke omstandigheden onvoldoende grond boden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met werkgeversgezag. Hoewel [M.J.H.] de werkzaamheden feitelijk verrichtte, ontbrak de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting en het gezagsverhouding zoals vereist in artikel 3 van Pro de sociale verzekeringswetten.
Echter, op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten juncto artikel 5 van Pro het Koninklijk Besluit, werd verzekeringsplicht aangenomen omdat [M.J.H.] persoonlijk arbeid verrichtte gedurende een aaneengesloten periode van ten minste dertig dagen, met een inkomen van ten minste 40% van het wettelijk minimumloon per week.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de premies betreft en bepaalde dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Geen verzekeringsplicht op grond van artikel 3, maar wel verzekeringsplicht op grond van artikel 5 van het KB vastgesteld.