ECLI:NL:CRVB:2004:AP1691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geboortedatum in WAO-uitkering
Betrokkene, werkzaam als bankwerker en schoonmaker, kreeg een WAO-uitkering toegekend vanaf 1970. Het UWV trok deze uitkering in 1999 in wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Betrokkene stelde dat zijn geboortedatum onjuist was gewijzigd en dat het UWV onjuist had gehandeld bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelde dat de wijziging van geboortedatum op betrokkene's verzoek en met bewijs was gebeurd, waardoor hij zich niet op eerdere jurisprudentie kon beroepen. De maatman voor de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld als de combinatie van bankwerker (40 uur) en schoonmaker (15 uur), tenzij ondubbelzinnige indicaties van ongeschiktheid bestonden, wat niet het geval was.
Verder concludeerde de Raad dat het opleidingsniveau van betrokkene niet op niveau 2 (vbo) kon worden gesteld, gezien het ontbreken van bewijs over zijn onderwijsniveau en werkervaring. De medische beperkingen waren niet onderschat. Het hoger beroep van beide partijen werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.
Het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €644 aan betrokkene. De Raad legde ook een griffierecht van €409 op aan het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep van partijen af.