ECLI:NL:CRVB:2004:AP2410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens werkhervatting als stratenmaker
Appellant ontving sinds 1991 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van een schouderblessure. Uit een fraudeonderzoek in 1998 bleek dat appellant vanaf 27 mei 1991 voltijds als stratenmaker bij zijn werkgever had gewerkt, ondanks het voortduren van de uitkering.
Op basis hiervan trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant daadwerkelijk voltijds had gewerkt en dat dit zijn belastbaarheid niet te boven ging.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Raad vond voldoende bewijs, waaronder verklaringen van opzichters en mandagenregisters, die bevestigen dat appellant voltijds werkte. De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht waren en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat appellant onjuiste informatie had verstrekt.
De Raad verwierp ook de betwisting van het teruggevorderde bedrag wegens gebrek aan onderbouwing en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd op 1 juni 2004 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen wegens werkhervatting.