ECLI:NL:CRVB:2004:AP4466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkrachtberekening voor aflossing schuld aan gemeente Roosendaal
Appellant was door de gemeente Roosendaal verplicht gesteld om vanaf 1 januari 2000 een schuld in termijnen af te lossen. Na bezwaar tegen een maandelijkse aflossing van 1500 gulden stelde de gemeente bij besluit van 30 maart 2000 een aflossingsbedrag van 214 gulden vast, gebaseerd op een draagkrachtberekening.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat het bedrag te hoog was en onvoldoende rekening was gehouden met zijn financiële situatie, waaronder ziektekostenpremies, een lening bij AFS Group en een morele onderhoudsverplichting aan zijn moeder in Marokko. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de gemeente het bedrag juist had berekend volgens het Vademecum van de Afdeling Sociale Zaken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de gemeente niet in strijd met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen heeft gehandeld. De draagkrachtberekening is gebaseerd op richtlijnen die rekening houden met noodzakelijke kosten en mogelijkheden van appellant. Morele verplichtingen en andere schulden worden niet meegenomen in de draagkrachtvermindering.
De Raad ziet geen aanleiding om de uitspraak te wijzigen en wijst het hoger beroep af. Ook wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het maandelijkse aflossingsbedrag van 214 gulden juist is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.