ECLI:NL:CRVB:2004:AP4550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening dagloon arbeidsongeschiktheidsuitkering Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de berekening van het dagloon waarop zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is gebaseerd. Het geschil betreft de periode van 6 september 1990 tot 6 september 1991, waarin appellant stelt langer bij de werkgever te hebben gewerkt dan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) is aangenomen.
De Raad heeft ter zitting drie getuigen gehoord die verklaren dat zij samen met appellant gedurende ongeveer zes maanden bij de werkgever hebben gewerkt. Echter, de werkgever ontkent dat appellant in die periode werkzaam was. Bovendien zijn de loonspecificaties waarop de Uwv zich baseert niet van appellant, maar van een andere persoon met een afwijkende naam en geboortedatum.
Desondanks acht de Raad de verklaringen van de getuigen onvoldoende overtuigend, mede omdat twee getuigen niet in staat waren hun verklaringen in het Nederlands voor te lezen en er geen plausibele vervoersmogelijkheid was om de werkzaamheden op tijd te beginnen. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep ongegrond verklaard. De Raad bevestigt deze uitspraak en ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is vastgesteld en verklaart het beroep van appellant ongegrond.