Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP4586

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5375 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet betalen griffierecht ongegrond verklaard

Opposant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring heeft opposant verzet aangetekend.

Tijdens de zitting op 7 juni 2004 verscheen opposant persoonlijk, terwijl geopposeerde zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad overwoog dat uit de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat opposant niet in verzuim is geweest met de betaling van het griffierecht.

Verder bleek uit informatie van geopposeerde dat opposant bijzondere bijstand had ontvangen voor de griffierechtkosten, maar dat de betaling per bank vertraagd was door ontoereikend saldo, wat voor risico van opposant komt. De Raad verklaarde het verzet daarom ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdig betalen van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5375 NABW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 2 maart 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 oktober 2003, reg.nr. 03/1039 en 03/1186, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Geopposeerde heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 7 juni 2004, waar opposant in persoon is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 2 maart 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 87,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 1 december 2003 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
Hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Daarbij merkt de Raad op dat uit door geopposeerde verstrekte informatie is gebleken dat 18 dagen voor het einde van de termijn door geopposeerde bijzondere bijstand aan opposant is betaald voor de kosten van het in hoger beroep verschuldigde griffierecht. Volgens vaste rechtspraak komt vertraging in de betaling van het griffierecht per bank wegens ontoereikend saldo voor risico van de belanghebbende.
Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
FB/17/6