AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens woonplaats buiten gemeente
Appellant ontving een bijstandsuitkering van de gemeente Weststellingwerf, maar de gemeente vermoedde dat hij zijn woonplaats had verplaatst buiten de gemeente. Na onderzoek door de Sociale Recherche, inclusief verhoren en observaties, concludeerde de gemeente dat appellant sinds 1 januari 1998 buiten Weststellingwerf woonde en sinds 1 mei 1999 werkte in Waalwijk. Hierdoor werd de uitkering vanaf 1 juni 1999 beëindigd en werd de uitkering over de periode vanaf 1 januari 1998 ingetrokken met terugvordering van de kosten.
Appellant voerde aan dat hij onder druk had verklaard en het Nederlands niet goed beheerste, maar de Raad verwierp deze grieven omdat appellant de Nederlandse taal voldoende machtigde en geen onaanvaardbare druk was gebleken. De Raad vond de verklaringen en het onderzoek van de Sociale Recherche overtuigend en oordeelde dat appellant zijn woonplaats inderdaad buiten Weststellingwerf had.
De door appellant ingebrachte getuigenverklaringen konden de bevindingen van het onderzoek niet substantieel weerleggen. Omdat appellant geen melding had gemaakt van zijn gewijzigde woonplaats, was de gemeente terecht gehouden de uitkering in te trekken en terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om hiervan af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens woonplaats buiten de gemeente Weststellingwerf.
Uitspraak
01/6195 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. E. van der Meer, advocaat te Joure, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 oktober 2001, reg.nr. 00/264 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 april 2004. Appellant is in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Hengst, kantoorgenoot van mr. Van der Meer. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Weperen, werkzaam bij de gemeente Weststellingwerf.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten.
Appellant - die met ingang van 15 november 1996 stond ingeschreven op het adres [adres] (gemeente Weststellingwerf), waar hij een woning huurde - ontving van gedaagde een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
Omdat bij gedaagde het vermoeden was gerezen dat appellant zijn woonplaats als bedoeld in artikel 63 vanPro de Abw niet meer in de gemeente Weststellingwerf had, heeft de Sociale Recherche van de gemeente Weststellingwerf een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 1999, bestond uit het raadplegen van het dossier van appellant, het verrichten van observaties, het inwinnen van inlichtingen en het verhoren van appellant en verschillende getuigen. De bevindingen van het onderzoek hebben gedaagde tot de conclusie gebracht dat appellant relevante feiten heeft verzwegen over zijn woon- en leefsituatie en over zijn inkomsten. Hij zou sinds 1 januari 1998 woonachtig zijn geweest buiten de gemeente Weststellingwerf en sinds 1 mei 1999 hebben gewerkt in een Japans-Chinees restaurant te Waalwijk.
Gedaagde heeft in het voorgaande allereerst aanleiding gezien om, bij besluit van 26 juli 1999, het recht op uitkering van appellant (dat met ingang van 1 mei 1999 al was opgeschort) met ingang van 1 juni 1999 te beëindigen.
Bij besluit van 17 september 1999 heeft gedaagde voorts - met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw - het recht op uitkering over de periode van 1 januari 1998 tot 1 mei 1999 herzien (lees: ingetrokken) en - met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw - de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 30.702,63 van appellant teruggevorderd. De intrekking berust op het standpunt van gedaagde dat appellant met ingang van 1 januari 1998 zijn woonplaats niet langer in de gemeente Weststellingwerf had, dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenplicht daarvan geen melding heeft gemaakt aan gedaagde, en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand is verleend. Hierbij heeft gedaagde doorslaggevende betekenis toegekend aan de door appellant tegenover de Sociale Recherche afgelegde verklaring.
Naar aanleiding van de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 26 juli 1999 en 17 september 1999 heeft de Sociale Recherche in oktober en november 1999 een nader onderzoek ingesteld, waarbij appellant en enkele getuigen - gedeeltelijk opnieuw - zijn verhoord.
Bij besluit van 9 februari 2000 heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 9 februari 2000 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd uitsluitend voorzover deze betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63 vanPro de Abw dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.
De Raad overweegt allereerst dat de grief dat appellant niet aan zijn verklaring zou mogen worden gehouden omdat hij het Nederlands niet goed machtig was en omdat hij onder druk zou hebben gestaan en daarom niet in vrijheid zou hebben verklaard, niet slaagt. Dat appellant het Nederlands onvoldoende beheerste, acht de Raad niet aannemelijk gemaakt. De Raad wijst erop dat appellant ten tijde van zijn verhoor al tien jaar in Nederland was, inmiddels de Nederlandse nationaliteit had en tegenover de Sociale Recherche zelf heeft verklaard dat hij zijn ondervragers verstond en begreep. Wanneer er iets niet duidelijk was, zou hij dat zeggen. Voorts heeft appellant verklaard dat hij voor zijn vriendin tolkte, omdat zij de Nederlandse taal niet goed machtig was. Van enige onaanvaardbare druk bij het afleggen van de verklaring is voorts niet gebleken. Het feit dat appellant zijn verklaring later heeft ingetrokken, maakt dit niet anders.
Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken voldoende steun voor het standpunt van gedaagde dat de gemeente Weststellingwerf in de periode in geding niet de gemeente was waar appellant zijn woonplaats had. De Raad acht de bevindingen van het onderzoek van de Sociale Recherche, en in het bijzonder de door appellant zelf afgelegde en ondertekende verklaring dat hij vanaf begin 1998 eigenlijk permanent verbleef bij zijn vriendin in Schiedam en eigenlijk alleen naar [woonplaats 2] terugging om de post op te halen en om zijn rechtmatigheidsonderzoeksformulieren in te leveren bij gedaagde, voor die vaststelling toereikend. De bevindingen van het buurtonderzoek en de activiteiten die appellant vanuit de woning van zijn vriendin in Schiedam ondernam, wijzen eveneens in die richting.
De door appellant in hoger beroep in het geding gebrachte getuigenverklaringen leiden niet tot de - door appellant bepleite - conclusie dat hij steeds in [woonplaats 2] heeft gewoond, aangezien deze verklaringen niet in betekenende mate afbreuk doen aan de bevindingen van het onderzoek van de Sociale Recherche. Dat appellant met een zodanige regelmaat en in een zodanige omvang verbleef bij zijn "pleegouders" aan de [adres 2] te [woonplaats 2] dat moet worden gezegd dat hij het grootste gedeelte van de tijd weiswaar niet in zijn eigen woning maar in elk geval elders in de gemeente Weststellingwerf doorbracht, is wel met kracht gesteld maar niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd.
Nu niet in geschil is dat appellant van een en ander geen melding heeft gemaakt bij gedaagde, volgt uit het voorgaande dat gedaagde gehouden was om het recht op uitkering in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien, is de Raad niet gebleken.
Daarmee is vervolgens gegeven dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan. De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.