Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP7807

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2057 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 AbwArt. 39 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor tandheelkundige hulp

Appellante, een alleenstaande uitkeringsgerechtigde, verzocht op 27 december 2000 om bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten die zij in 1999 had gemaakt. De gemeente Amsterdam stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling wegens het ontbreken van noodzakelijke bewijsstukken. Later werd de aanvraag afgewezen omdat bijstand niet met terugwerkende kracht kan worden verleend. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het uitgangspunt van artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet is dat bijstand op aanvraag wordt verleend en niet met terugwerkende kracht. Afwijking hiervan is slechts mogelijk bij bijzondere omstandigheden, welke in deze zaak niet zijn gebleken. Appellante was niet op de hoogte van dit uitgangspunt en heeft in de betrokken periode wel andere aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen indienen.

De Raad concludeert dat de afwijzing terecht is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing is genomen door mr. G.A.J. van den Hurk en uitgesproken op 22 juni 2004.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor tandheelkundige kosten.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2057 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2002, reg.nr. 01/3221 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt een uitkering ingevolgde de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Op 27 december 2000 heeft appellante verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van tandheelkundige hulp.
Bij besluit van 26 februari 2001 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het niet overleggen van noodzakelijke gegevens of bewijsstukken.
Uit de bij het bezwaarschrift overgelegde tandartsrekeningen blijkt dat deze dateren van 12 maart 1999, 19 maart 1999, 3 mei 1999, 29 juni 1999, 23 september 1999, 19 oktober 1999 en 16 december 1999.
Bij besluit van 21 juni 2001 heeft gedaagde onder intrekking van het besluit van 26 februari 2001 de aanvraag van 27 december 2000 afgewezen op de grond dat het niet mogelijk is om achteraf bijstand te verlenen.
Bij besluit van 24 juli 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 21 juni 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op het in artikel 67, eerste lid, van de Abw neergelegde primaire uitgangspunt dat bijstand op aanvraag wordt verleend en in aanmerking nemende de noodzaak van een beoordeling van de individuele situatie op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw, dient volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt te gelden dat geen bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht. Van dat uitgangspunt kan slechts worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Vaststaat dat appellante eerst geruime tijd nadat de onderhavige kosten zijn gemaakt voor deze kosten een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. De omstandigheid dat appellante niet op de hoogte was van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht kan worden verleend, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Uit de gedingstukken is bovendien gebleken dat appellante in de periode in geding in staat is geweest verschillende aanvragen om verlening van bijzondere bijstand voor andere kosten in te dienen.
Ook overigens is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van voormeld uitgangspunt rechtvaardigen.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.