ECLI:NL:CRVB:2004:AP8472

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2192 WW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:75 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens verwijtbare werkloosheid en onvoldoende financiële noodsituatie

Verzoeker heeft een ontbindingsvergoeding van €30.000 ontvangen na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. De uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid. Het bezwaar en het beroep tegen deze weigering zijn ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft vervolgens een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 8:81 Awb Pro, stellende dat de toegekende ontbindingsvergoeding onvoldoende is om zijn schulden te betalen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker bewust heeft gekozen geen bijstandsuitkering aan te vragen en momenteel inkomsten heeft uit een 0-uren-contract van circa €1.000 per maand. Tevens ontbreken belangrijke stukken in het dossier die nodig zijn voor een volledige beoordeling. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en wordt geen onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak gedaan.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.

Uitspraak

04/2192 WW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens verzoeker heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, bij beroepschrift van
2 april 2004, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van
29 januari 2004, reg.nrs. 03/2713 WW VV en 03/2469 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Eveneens bij schrijven van 2 april 2004 is namens verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 mei 2004, waar verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Piternella voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.
Op verzoek van verzoeker is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te Tilburg.
II. MOTIVERING
Verzoekers arbeidsovereenkomst met [naam B.V.]., handelend onder de naam [naam werkgeefster], is door de kantonrechter Breda met ingang van 16 juli 2003 wegens gewichtige redenen ontbonden onder toekenning van een ontbindingsvergoeding ter hoogte van € 30.000,--. Bij besluit van 17 september 2003 heeft gedaagde verzoeker een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 1 september 2003 blijvend geheel geweigerd vanwege het feit dat verzoeker verwijtbaar werkloos wordt geacht. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 12 november 2003 ongegrond verklaard.
Bij brief van 24 december 2003 is namens verzoeker door mr. Piternella voornoemd, tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van 29 januari 2004 ongegrond is verklaard.
Naar aanleiding van het thans gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van Pro de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofd-zaak. Namens verzoeker is uitdrukkelijk verzocht om een onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de thans bekende gegevens geen uitspraak in de hoofdzaak kan worden gedaan. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat, zoals ook ter zitting van de voorzieningenrechter reeds aan de orde is gesteld, diverse stukken in het dossier van verzoeker ontbreken. Nu het naar het oordeel van de voorzieningenrechter stukken betreft die van belang zijn voor de beoordeling van de hoofdzaak, wordt door de voorzieningenrechter geen toepassing gegeven aan de in artikel 8:86 van Pro de Awb gegeven bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter zal zich thans dan ook beperken tot het doen van een uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Verzoeker heeft ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen naar voren gebracht dat de door de kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding onvoldoende is om zijn schulden te kunnen betalen.
De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval derhalve toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat hij niet de overtuiging heeft dat verzoeker als gevolg van de weigering van een uitkering ingevolge de WW in een financiële noodsituatie dan wel anderszins in een onhoudbare situatie is geraakt die door het treffen van een voorlopige voorziening moet worden gelenigd. De voorzieningenrechter neemt hierbij mede in aanmerking dat verzoeker er bewust voor heeft gekozen zich niet tot de gemeentelijke sociale dienst te wenden teneinde een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet aan te vragen. Tevens is ter zitting gebleken dat verzoeker thans werkzaamheden op basis van een zogenaamd 0-uren-contract verricht en dat hij thans een inkomen van ongeveer € 1000,-- per maand heeft.
Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat zich bij verzoeker geen situatie voordoet die vergt dat, gelet op de betrokken belangen, met onverwijlde spoed een voorlopige voorziening wordt getroffen.
Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb niet voor toewijzing in aanmerking komt. Omdat de voorzieningenrechter voorts voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb geen termen aanwezig acht, beslist hij als volgt.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2004.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.D.F. de Moor.