Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AP8616

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/550 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geschiktheid functies en arbeidsongeschiktheidspercentage bij WAO-uitkering

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om haar WAO-uitkering in te trekken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. De Raad van bestuur van het Uwv baseerde dit besluit op een medische beoordeling en een arbeidsdeskundig onderzoek waarbij werd vastgesteld dat appellante geschikt was voor bepaalde functies ondanks haar beperkingen.

Appellante voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat haar klachten niet serieus waren genomen. De Raad stelde echter vast dat uitgebreid medisch onderzoek had plaatsgevonden, inclusief lichamelijk onderzoek en overleg met haar huisarts en reumatoloog. De beperkingen werden zorgvuldig vastgesteld en de voorgestelde functies waren grotendeels in overeenstemming met deze beperkingen.

Verder stelde appellante dat een eerdere functie met een hoger inkomen als maatmanfunctie moest worden genomen, maar de Raad vond geen aanwijzingen dat zij toen niet goed functioneerde of om medische redenen was overgestapt. De Raad concludeerde dat het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering terecht was en bevestigde het bestreden besluit.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 15% bedraagt.

Uitspraak

02/550 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam echtgenoot]nte], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 april 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 mei 2000 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amsterdam, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 december 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 11 december 2001 (nummer AWB 01-181 WAO H V12 G17 K1) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. Molenaar voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Desgevraagd heeft mr. Molenaar nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 mei 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar voornoemd en door haar echtgenoot [naam echtgenoot], en waar namens gedaagde is verschenen
mr. J.F.J.A. Jennekens, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 28 mei 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maat-maninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15%.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Appellante heeft ter zitting van de Raad opgemerkt dat het medisch onderzoek beperkt was tot een kort gesprek, dat zij niet lichamelijk is onderzocht en dat haar klachten niet serieus zijn genomen. De Raad wijst er evenwel op dat in het rapport van de verzekeringsarts van 5 augustus 1999 verslag wordt gedaan van een op die datum verricht medisch onderzoek, waarbij ook een lichamelijk onderzoek is uitgevoerd. Voorts heeft de verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante en bij haar behandelend reumatoloog. In een vervolgrapportage van 30 augustus 1999 heeft de verzekeringsarts naar aanleiding van de verkregen informatie geconcludeerd dat er geen ernstige afwijkingen zijn geconstateerd en er daarom geen gronden zijn om appellante volledig arbeidsongeschikt te achten. Rekening houdend met haar klachten heeft hij vervolgens een aantal beperkingen voor het zwaar belasten van de armen, de nek en de rug aangegeven, alsmede een aantal psychische beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts is tot dezelfde conclusie gekomen als de verzekeringsarts, met dien verstande dat aan het belastbaarheidspatroon een beperking is toegevoegd voor het werken in stoffige omstandig- heden in verband met de allergie van appellante voor huisstofmijt. Voorts is geconstateerd dat enkele van de voorgehouden functies niet in overeenstemming zijn met de medische beperkingen.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische beoordeling op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In de namens betrokkene overgelegde brieven van de behandelend revalidatiearts heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het onderzoek onvolledig te achten.
Appellante heeft bepleit om niet de door haar laatstelijk voor haar uitval in september 1992 verrichte functie van secretaresse als maatmanfunctie te nemen, maar de door haar in de periode van 1 mei 1991 tot 1 april 1992 verrichte functie bij drukkerij
Dekker & Dekker te Amsterdam. Zij had toen een hoger inkomen dan in de laatstelijk verrichtte functie. De Raad ziet echter, evenals als de rechtbank, geen aanleiding om appellante als “medische afzakker”aan te merken. De Raad wijst er op dat de arbeidsdeskundige R.J.F. Klijzing al in een rapport van 25 november 1993 heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante in haar functie bij de drukkerij niet goed zou hebben gefunctioneerd, daar de werkgever bereid was om het contract te verlengen. Voorts heeft hij opgemerkt dat er ook geen ziekmeldingen in die tijd bekend zijn. Appellante heeft haar stelling dat zij om medische redenen is overgestapt naar een andere, naar haar zeggen lichtere functie, niet nader onderbouwd.
Ook hetgeen appelante in hoger beroep heeft aangevoerd over de aan haar voorgehouden functies heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A. Bos.