ECLI:NL:CRVB:2004:AP8619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens ontbreken dienstverband
Appellante was sinds 1 januari 1992 als directie-assistente werkzaam bij Vijverberg B.V., dat in april 1992 failliet werd verklaard. Na haar ziekmelding ontving zij vanaf 29 maart 1993 een WAO-uitkering. De uitkering werd geschorst per 1 maart 1999 vanwege vermoedens dat het dienstverband niet reëel was, onder meer omdat de toenmalige echtgenoot van appellante als directeur/grootaandeelhouder (dga) fungeerde en er geen gezagsverhouding zou zijn geweest.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de schorsing ongegrond, waarbij werd aangenomen dat er geen reëel werkgeversgezag was. Appellante stelde in hoger beroep dat onvoldoende bewijs bestond voor de positie van haar echtgenoot als dga en dat zij daadwerkelijk haar werkzaamheden verrichtte. De Raad oordeelde dat de stukken onvoldoende aanknopingspunten boden om de positie van de echtgenoot als dga te bevestigen, maar dat de schorsing ook op andere gronden rechtmatig was.
De Raad onderschreef de rechtbank dat uit een rapport van een arbeidsdeskundige bleek dat vanaf januari 1992 niemand meer werkzaam was bij Vijverberg B.V., waardoor appellante geen plicht tot persoonlijke dienstverrichting had. De schorsing van de uitkering werd daarom bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om appellante in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens het ontbreken van een reëel dienstverband.