ECLI:NL:CRVB:2004:AP8782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstandsuitkering wegens onjuiste vermogensbeschikking
Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Na het overlijden van haar moeder op 2 maart 1999 ontving zij medio januari 2000 via de notaris een erfenis uit de verkoop van een molen. Gedaagde blokkeerde de uitkering per 1 januari 2000 en trok het recht op uitkering met ingang van 2 maart 1999 in, omdat werd aangenomen dat appellante vanaf die datum over voldoende middelen beschikte.
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking en stelde dat zij pas vanaf 1 februari 2000 over haar erfdeel kon beschikken. Het bezwaar werd gegrond verklaard, maar het besluit tot intrekking bleef gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij aannam dat de terugvordering vanaf de overlijdensdatum terecht was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de intrekking niet op een deugdelijke grondslag berust, omdat de molen pas in januari 2000 kon worden verkocht en het vermogen dus niet eerder beschikbaar was. Tevens constateert de Raad dat de bezwaarprocedure te lang heeft geduurd. De Raad vernietigt het besluit op bezwaar en het intrekkingsbesluit en verklaart het bezwaar gegrond. De mogelijkheid tot terugvordering blijft open, maar het is aan de gemeente om dit voortvarend te behandelen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en het bezwaar gegrond verklaard.