ECLI:NL:CRVB:2004:AQ0506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- R. Kooper
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde BWOO-uitkering wegens toedoen betrokkene
Appellant ontving van augustus 1988 tot december 1998 een ontslaguitkering op grond van het BWOO. Na een fraudeonderzoek besloot de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de uitkeringen over de periode 1996-1998 terug te vorderen wegens onverschuldigde betalingen door toedoen van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant relevante gegevens niet had opgegeven en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de terugvordering in de weg stonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet met opzet handelde en dat zijn geestestoestand bijzonder slecht was in de betreffende periode.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor terugvordering geen kwade trouw vereist is, maar dat het voldoende is dat onjuiste inlichtingen zijn verstrekt. De persoonlijke omstandigheden van appellant rechtvaardigen geen uitzondering op de terugvordering. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaaft de terugvordering van de onverschuldigde uitkeringen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde BWOO-uitkeringen wegens toedoen van appellant.