ECLI:NL:CRVB:2001:AD3346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- M.M. van der Kade
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt terugvordering wachtgeld ondanks onjuiste opgave inkomsten
Betrokkene ontving wachtgeld terwijl zij inkomsten uit arbeid had genoten. De Minister stelde vast dat de inkomsten hoger waren dan opgegeven, waardoor te veel wachtgeld was betaald. De Minister legde een sanctie op en vorderde een bedrag terug. De rechtbank oordeelde dat terugvordering over een periode langer dan zes maanden in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar dat betrokkene wel toedoen had aan de fout.
In hoger beroep stelde betrokkene dat zij het formulier onduidelijk vond en geen opzet had, terwijl de Minister stelde dat voor toedoen geen opzet vereist is en dat de fout door betrokkene is veroorzaakt. De Raad overwoog dat betrokkene het formulier onjuist heeft ingevuld en geen navraag heeft gedaan, waardoor het risico van een fout bij haar ligt. De Minister kon niet worden verweten de fout niet eerder te hebben ontdekt.
De Raad verwierp de toepassing van de zes-maandenjurisprudentie omdat geen relevant signaal na de foutieve opgave was ontvangen. De terugvordering van het gehele bedrag was daarom terecht. Het hoger beroep van de Minister werd gegrond verklaard en dat van betrokkene verworpen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor het deel over de zes-maandenperiode en bevestigd voor het overige.
Uitkomst: De terugvordering van het gehele te veel betaalde wachtgeld is terecht en wordt bevestigd.