ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1183

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2893 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet betalen griffierecht ongegrond verklaard

Opposant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem, maar betaalde het vereiste griffierecht van €87,- niet binnen de gestelde termijn. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Opposant kwam in verzet en voerde aan dat hij het griffierecht al bij de rechtbank had voldaan en verwees naar zijn slechte financiële situatie.

De Raad stelde vast dat opposant meerdere malen was gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en voldoende gelegenheid had gekregen om dit alsnog te voldoen. Het verzet bevatte geen gegronde reden om het niet betalen als verschoonbaar te beschouwen. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere niet-ontvankelijkverklaring.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 juli 2004.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

03/2893 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 23 mei 2003, nr. Awb 02-1813 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 13 januari 2004, welke tevens op 13 januari 2004 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.
Opposant is tijdig van die uitspraak in verzet gekomen en heeft in het verzetschrift de gronden aangevoerd waarop het verzet berust.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 mei 2004, waar partijen -geopposeerde met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij schrijven van 3 juli 2003 is opposant erop gewezen dat ter zake van het instellen van hoger beroep een griffierecht is verschuldigd van € 87,-, welk bedrag binnen vier weken na dagtekening voldaan diende te zijn. Voornoemd schrijven is op
8 juli 2003 ter griffie van de Raad retour ontvangen, onder vermelding van “onvolledig adres”. Opposant heeft, onder dagtekening 4 juli 2003, op bovengenoemd schrijven van de Raad van 3 juli 2003 meegedeeld dat hij al griffierecht heeft betaald bij de rechtbank Haarlem en voorts verwezen naar zijn slechte financiële situatie.
In verband met bovengenoemde brief heeft de Raad bij schrijven van 28 juli 2003 aan opposant meegedeeld dat de indiener van een hoger beroepschrift een griffierecht is verschuldigd van € 87,- (voor het in behandeling nemen van de zaak) en dat geen vrijstelling of vermindering van betaling van het griffierecht kan worden verleend. Daarbij is opposant erop gewezen dat hij het verschuldigde bedrag binnen acht weken na 28 juli 2003 dient te voldoen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald. Opposant is vervolgens bij schrijven van 22 september 2003 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen vier weken alsnog te voldoen. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijk- verklaring van het hoger beroep kan leiden. Het griffierecht is ook binnen die termijn niet betaald. Als gevolg hiervan heeft de Raad het hoger beroep bij uitspraak van 13 januari 2004 niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft, onder dagtekening 14 november 2003, op de brief van de Raad en in zijn verzetschrift nogmaals meegedeeld dat hij het griffierecht al heeft betaald bij de rechtbank Haarlem.
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd bevat geen grond waarop kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim was om het griffierecht te voldoen. De Raad is van oordeel dat opposant duidelijk is gewezen op het feit dat de indiener van een hoger beroep een griffierecht verschuldigd is, terwijl opposant geruime tijd in de gelegenheid is gesteld om het griffierecht te voldoen. Er is dan ook geen reden om het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar te achten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.