ECLI:NL:CRVB:2004:AQ1960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet gemelde werkzaamheden als zelfstandige in familiebedrijf
Appellanten ontvingen vanaf 1988 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant werkzaam was in het handelsbedrijf van zijn zoon, is een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot een besluit van de gemeente om de uitkering over de periode 1994-1999 in te trekken wegens niet-gemelde zelfstandige werkzaamheden en tot terugvordering van betaalde bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkzaamheden van appellant niet als zelfstandige arbeid kunnen worden aangemerkt. Wel was sprake van werkzaamheden met economische waarde die de grenzen van familiehulp overschrijden. Appellanten hebben de inlichtingenplicht geschonden door deze werkzaamheden en het bezit van een bedrijfsauto niet te melden.
De Raad vernietigt het besluit tot intrekking van de uitkering wegens onvoldoende motivering, maar bevestigt dat de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijstand terecht is. De gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd, maar de terugvordering van onverschuldigde bijstand blijft in stand.