ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2055 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ingangsdatum bijstandsuitkering op datum aanvraag zonder bijzondere omstandigheden

Appellant heeft bijstand aangevraagd per 21 augustus 2000 en verzocht om een eerdere ingangsdatum van de uitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde dat psychische problemen en slechte contacten met de gemeente hem belemmerden eerder een aanvraag in te dienen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat volgens vaste jurisprudentie de bijstandsuitkering in principe ingaat op de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. In deze zaak zijn dergelijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. De grief dat appellant door psychische problemen niet eerder kon aanvragen, is onvoldoende onderbouwd. Ook de belemmeringen door slechte contacten met de gemeente kunnen niet leiden tot een eerdere ingangsdatum, aangezien een gemachtigde namens appellant de aanvraag kon indienen.

De Raad bevestigt daarom het besluit dat de uitkering ingaat op 21 augustus 2000, de datum van de aanvraag. Tevens ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hiermee wordt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.

Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt bevestigd op de datum van aanvraag, 21 augustus 2000.

Uitspraak

02/2055 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2002, reg.nr. ABW 01/1492, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Welten, en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij fax van 21 augustus 2000 is namens appellant een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd.
Bij besluit van 5 december 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
21 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 22 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant gericht tegen onder meer het besluit van 5 december 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover hier van belang - het beroep ter zake van de ingangsdatum van de uitkering ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad begrijpt het besluit van 22 mei 2001 - voorzover hier van belang - aldus dat het recht op uitkering ingaat op de datum waarop de uitkering wordt aangevraagd. Slechts in het geval van bijzondere omstandigheden kan de uitkering eerder ingaan dan de datum van de aanvraag, waarvan bij de aanvraag van appellant niet is gebleken.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad inzake de toepassing van artikel 67 van Pro de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken.
De grief dat appellant voorafgaand aan zijn aanvraag op 21 augustus 2000 wegens psychische problemen niet in staat was zijn zaken te regelen noch een aanvraag ingevolge de Abw in te dienen, is niet onderbouwd en faalt reeds om die reden. Uit de gedingstukken is verder gebleken dat appellant vanaf 5 juli 1994 met onderbrekingen achtereenvolgens een uitkering ingevolge de Rijksgroepregeling werkloze werknemers en ingevolge de Abw heeft ontvangen. De grief dat appellant als gevolg van slechte contacten met gedaagde niet in staat zou zijn geweest eerder een aanvraag in te dienen, kan evenmin slagen. Zo er al belemmeringen waren voor appellant voor het indienen van een aanvraag, zou hij een derde hebben kunnen verzoeken namens hem een aanvraag ingevolge de Abw in te dienen zoals dat feitelijk door de gemachtigde van appellant (eerst) op 21 augustus 2000 ook is gedaan.
Ook overigens is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van voormeld uitgangspunt rechtvaardigen.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.L. Rijnen.
FB/18/6