ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/830 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet tijdig indienen gronden

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van 24 oktober 1997, maar heeft de gronden van zijn bezwaar niet binnen de door gedaagde gestelde termijn ingediend. Gedaagde heeft het bezwaar daarom op 3 april 1998 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat deze niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. De Centrale Raad van Beroep heeft het geschil behandeld en geoordeeld dat gedaagde zijn bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring terecht heeft uitgeoefend. De Raad overwoog dat appellant meerdere malen uitstel heeft gekregen om de gronden in te dienen, maar dat deze uiteindelijk pas na afloop van de laatste termijn werden ingediend.

De Raad vond geen aanleiding om de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam te vernietigen en bevestigde het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Tevens wees de Raad een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd op 6 juli 2004 in het openbaar gewezen door rechter G.A.J. van den Hurk.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/830 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
L.P. van Stee, wonende te Amsterdam, appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2001, reg.nr. 98/3949 WVG.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij besluit van 3 april 1998 het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 1997 met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft gedaagde als volgt overwogen:
“ In artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bezwaarschrift - onder meer - ten minste de gronden van het bezwaar moet bevatten.
Artikel 6:6 van Pro de Awb bepaalt dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Op uw verzoek is u tot 10 maart 1998 gelegenheid geboden het verzuim te herstellen. Gelet op de totale duur van de termijn waarbinnen het verzuim kon worden hersteld en de door u aangevoerde redenen om uitstel voor het inleveren van de gronden, zijn wij van oordeel dat u een redelijke termijn heeft gekregen om het verzuim te herstellen. Nu binnen de - tot driemaal toe verlengde - termijn en ook tot op heden de gronden van uw bezwaar niet zijn geleverd, zullen wij uw bezwaarschrift niet inhoudelijk behandelen.”.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 3 april 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde aan appellant, nadat hij bij fax van 5 december 1997 bezwaar op nader aan te voeren gronden had gemaakt, bij brief van 10 december 1997 en vervolgens bij brieven van 10 januari 1998 en 25 februari 1998 uitstel voor het indienen van de gronden verleend tot respectievelijk 10 januari 1997 (lees: 1998),
1 februari 1998 en 10 maart 1998. Daarnaast is appellant in de brief van 25 februari 1998 meegedeeld dat niet opnieuw uitstel voor het indienen van de gronden zou worden verleend terwijl appellant er voorts telkens op is gewezen dat bij niet tijdige reactie het bezwaarschrift op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Voorts staat vast dat de gronden van het bezwaar op 10 maart 1998 en derhalve na afloop van de laatstelijk door gedaagde geboden hersteltermijn zijn ingediend.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat gedaagde een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de hem op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb toekomende bevoegdheid om het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.
Nu de Raad ook in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de conclusie dat gedaagde niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring heeft kunnen besluiten, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk
(get.) M.C.M. Hamer
MvK06074