ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening arbeidsongeschiktheid op grond van WAO en zorgvuldigheid aanzegging
Appellant betwistte de herziening van zijn WAO-uitkering waarbij zijn arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%. Hij voerde aan dat de medische beperkingen door de verzekeringsartsen waren onderschat en dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was uitgevoerd. Tevens stelde hij dat de aanzegging van de herzieningsdatum niet adequaat was omdat hij pas in de beroepsprocedure over alle relevante documenten beschikte.
De Raad nam de feiten over uit de eerdere uitspraak en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, mede omdat de verzekeringsartsen alle beschikbare medische gegevens hadden betrokken en de beperkingen niet wezenlijk afweken van die vastgesteld door de Belgische keuringsarts. Er waren geen nieuwe medische gegevens die een ernstiger beperking aannemelijk maakten.
Ten aanzien van de aanzegging overwoog de Raad dat appellant op 17 november 1998 door een arbeidsdeskundige was geïnformeerd over zijn beperkingen en passende functies, en dat dit standpunt op 3 december 1998 schriftelijk was bevestigd met bijlagen. Hoewel niet alle bijlagen mogelijk waren meegezonden, lag het op de weg van appellant om dit tijdig te melden. Gezien het late verzoek van appellant achtte de Raad de aanzegging voldoende en concludeerde dat de uitlooptermijn correct was aangevangen.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro en oordeelde dat appellant geen belemmeringen ondervond om in Nederland arbeid te verkrijgen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% wordt bevestigd.