ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel verlaging bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking arbeidsinschakeling
Appellant, werkloos sinds 1983 en bijstandontvanger, kreeg een maatregel opgelegd waarbij zijn uitkering met 20% werd verlaagd wegens vermeende belemmering van arbeidsinschakeling. Na bezwaar werd de maatregel verlaagd naar 10%. De gemeente stelde dat appellant onvoldoende meewerkte aan een arbeidsintegratietraject.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geschikt was voor arbeid en dat hij zich niet voldoende beschikbaar stelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de gemeente ten onrechte uitging van arbeidsverplichtingen die eerder waren ingetrokken en ontheffing was verleend. Hierdoor ontbrak de feitelijke grondslag voor de maatregel.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de gemeente tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid en het vereiste van een uitdrukkelijk besluit bij het herleven van arbeidsverplichtingen.
Uitkomst: De maatregel van verlaging van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens het ontbreken van een geldige grondslag.