ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na verkeersongeval
Appellante, vennoot in een vennootschap onder firma die een binnenvaartschip exploiteert, vroeg een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan na een verkeersongeval in februari 2000 waarbij zij whiplashletsel opliep. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast, maar achtte haar nog in staat lichte werkzaamheden te verrichten. De arbeidsdeskundige berekende het maatgevende uurloon en de mate van arbeidsongeschiktheid, welke minder dan 25% bleek te zijn, wat leidde tot weigering van de WAZ-uitkering.
Na bezwaar en herberekening bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat appellante 50 uur per week werkte zoals zij zelf had opgegeven. Appellante stelde in hoger beroep dat haar werkelijke arbeidstijd lager was en dat de medische beperkingen en passende functies onjuist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen medische stukken had overgelegd die de beperkingen konden wijzigen en dat de subjectieve klachtenbeleving niet doorslaggevend is. Ook achtte de Raad de functies passend, mede gelet op de opleiding en ervaring van appellante. De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat een lagere maatgevende omvang van 37,5 uur per week niet tot een andere uitkomst leidt, omdat zowel het maatmanloon als de resterende verdiencapaciteit dan stijgen, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid nog steeds onder de 25% blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.