ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8138

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2767 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 AbwArt. 78, derde lid, AbwArt. 81, eerste lid, Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht die de terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand bevestigde. De gemeente Brunssum had het recht op bijstand herzien wegens inkomsten uit rechtwaarden die appellant niet had opgegeven.

De Raad overwoog dat het besluit tot herziening van het recht op uitkering onherroepelijk was en dat daarmee voldaan was aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Algemene bijstandswet. De door appellant aangevoerde grieven konden het besluit niet aantasten.

De hoogte van het teruggevorderde bedrag werd niet betwist en er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand wegens verzwegen inkomsten.

Uitspraak

02/2767 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 april 2002, reg.nr. 01/1006 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2004, waar appellant is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M. Meijers, werkzaam bij de gemeente Brunssum.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 18 juli 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, het recht op uit-kering van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b van de Abw over de periode van 1 december 1999 tot en met 30 juni 2000 herzien wegens in die periode genoten inkomsten uit zogeheten rechtwaarden, opgebouwd in de periode van 2 augustus 1999 tot 10 november 1999. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 maart 2001 heeft gedaagde vervolgens, voorzover hier van belang, de over de periode van 1 december 1999 tot en met 30 juni 2000 ten onrechte aan appellant betaalde bijstand tot een bedrag van f 1.698,27 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 11 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 september 2001 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak staat, nu het besluit tot herziening van het recht op uitkering in rechte onaantastbaar is geworden, vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor terug-vordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Gedaagde was dan ook gehouden de aldus ten onrechte aan appellant betaalde bijstand terug te vorderen. Alle in hoger beroep door appellant aangevoerde grieven (waaronder het betoog dat gedaagde zo te werk had moeten gaan, dat de uitkering van appellant - slechts - zou zijn ingetrokken voor de afzonderlijke dagen waarop de inkomsten uit de rechtwaarden telkens betrekking hadden) kunnen - reeds - om deze reden niet tot aantasting van het besluit tot terugvor-dering leiden.
De hoogte van het teruggevorderde bedrag is als zodanig door appellant niet betwist.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ’t Hooft en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
GdJ
108